maandag, juni 19, 2006

Strategische inzet van e-learning

Helaas kon ik afgelopen donderdag niet bij een promotieplechtigheid zijn, maar gelukkig kreeg ik wel het proefschrift in handen gedrukt: E-learning strategies of higher education institutions van Petra Boezerooij (UT/CHEPS, tegenwoordig werkzaam bij SURF). Het strategische element van e-learning zit ‘m in het bereiken en faciliteren van meer doelgroepen in een steeds competitievere omgeving. Het gaat dan om doelgroepen als ‘levenlang lerenden’ en internationale studenten. Maken hoger onderwijsinstellingen zulke strategische keuzes?

Er blijken globaal drie strategieën: back-to-basics (samenhangend curriculum in lokale setting), stretching-the-mould (individualisering in lokale instelling) en worldcampus (globale setting). Vooral de verschillen in omgevingsfactoren tussen de eerste en de derde strategie bleken significant. Een van de conclusies luidt: “Hoger onderwijsinstellingen die zich dus meer focussen op verhoging van de instroom, waarbij ze tevens ICT gebruiken om hun onderwijs flexibel aan te bieden om zo meer inkomsten te genereren, kiezen dus eerder voor een worldcampus strategie dan een back-to-basics strategie.”

Ook al is het ‘hora est’ al gesproken, toch nog wat kritiek: In de conclusie wordt ‘strategisch handelen’ bijna vereenzelvigd met het hanteren van een worldcampus strategie. Dat zou de beste optie zijn voor instellingen die oog hebben voor de veranderende omgeving. Zijn er soms geen andere goede strategieën, zoals het opbouwen en verder uitbouwen van de onderzoekstaak, of het verstevigen van de positie in de regio? Maar goed, dan heb je misschien weer minder aan e-learning ...

Overigens ben ik het wel helemaal eens met de eerste stelling: “Strategie begint met het maken van keuzes.”

maandag, juni 05, 2006

Onderwijsvernieuwingen terugdraaien?

‘Help! Het onderwijs verzuipt!’ Met deze noodkreet vraagt de filosoof Ad Verbrugge samen met zijn vrouw Marijke Verbrugge in de bijlage Opinie & Debat van NRC Handelsblad (3 juni 2006) aandacht voor de negatieve gevolgen van diverse onderwijsvernieuwingen in Nederland. Hij doet dat als voorzitter van de vereniging Beter Onderwijs Nederland. Eerder kreeg hij al een bijna paginagroot interview in NRC Handelsblad (15 mei 2006) en nu dus al weer ruim anderhalve pagina gratis reclame voor zijn vereniging én voor wat inmiddels een maatschappelijk probleem genoemd mag worden.

Dat de ontwikkelingen in het onderwijs niet door iedereen met gejuich ontvangen worden mag bekend zijn. Het zogenaamde ‘nieuwe leren’ is bepaald niet onomstreden. De kranten staan er vol mee, wetenschappers kruisen met elkaar de degens over het belang van pure kennis in het onderwijs en ook het ministerie van onderwijs probeert allerlei eerder opgelegde vernieuwingen terug te draaien. Verbrugge is dus bepaald geen roepende in de woestijn.

Wat zegt Verbrugge dan? Verbrugge vindt dat leerlingen weer moeten leren en dat leraren weer moeten lesgeven. De achtereenvolgende onderwijsvernieuwingen in de afgelopen veertig jaar hebben het onderwijs in een permanente bouwput veranderd. Onze leerlingen en studenten kennen en kunnen steeds minder. Het steeds maar verder opkomende ‘nieuwe leren’ bestempelt Verbrugge als een tunnelvisie. Hij wil terug naar een grotere verscheidenheid aan opleidingen, meer aanbodgericht onderwijs met vakbekwame, geïnteresseerde docenten en niet toegeven aan verminderde concentratie en discipline.

Zegt Verbrugge verkeerde dingen? Op zich genomen is zijn reactie heel begrijpelijk en op bepaalde punten zelfs legitiem, zeker als ‘tegengeluid’ – dwarsliggers houden immers het spoor recht. Het onderwijs kan niet alleen maar vanuit de ‘beleidsmatige bureaucratische schil’ ingericht worden. Aan de andere kant moet ook Verbrugge beseffen dat er meer meespeelt dan alleen het belang van de docent. In heel zijn betoog komt het belang van de leerling of de student nauwelijks voor.

In de klaagzang van het echtpaar Verbrugge wordt al het onderwijs over één kam geschoren, terwijl voor iedere onderwijsvorm weer andere eindkwalificaties gelden en dus andere eisen gesteld kunnen worden voor wat betreft kennisniveau, vaardigheden en zelfstandigheid. Het lijkt mij verstandiger te focussen alvorens het debat te vervolgen. Vervolgens vind ik het verwonderlijk voor een cultuurfilosoof dat hij de ontwikkelingen in de cultuur onvoldoende erkent. Zijn al die sociale misstanden waar Verbrugge het over heeft, het gevolg van een verslechterd onderwijs of van een complexer en dynamisch geheel van culturele en maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, informalisering, informatisering, globalisering e.d.)? Ten slotte merk ik op dat Verbrugge geen echt alternatief biedt, maar alleen maar terug wil. En als stilstand al achteruitgang is, wat is achteruitgang dan wel niet?

In verkorte vorm geplaatst in NRC Handelsblad van 10 juni 2006.

woensdag, mei 31, 2006

Vage projecten?

Sinds maart 2006 ben ik bezig met een opdracht voor de Faculteit Natuur & Techniek van de Hogeschool Utrecht, namelijk het verzorgen van een training voor ervaren projectleiders. Ter voorbereiding op de maandelijkse bijeenkomsten duik ik zelf ook weer in de literatuur over projectmanagement. Een van de kerndilemma’s waar ik steeds tegen aan loop is dat in de literatuur steeds verwezen wordt naar de noodzaak van een heldere projectopdracht en een goed projectplan, terwijl in de cultuur van het hoger onderwijs een grote behoefte blijkt te zijn aan ‘vage projecten’. De cursisten worstelen er ook mee.

Nu snap ik op zich wel dat in een politiek-strategische context niet altijd sprake kan zijn van strak omlijnde projecten, zoals die voorkomen in de ICT-wereld. Volgens mij moet er echter wel naar gestreefd worden om projecten concreter te krijgen. Een van de middelen daarvoor lijkt mij het vastleggen wat wel bekend is en op welke wijze geprobeerd wordt meer duidelijkheid te krijgen (transparantie). Maak bijvoorbeeld eerst maar eens een plan van aanpak voor het komen tot een echt plan van aanpak voor je project.

Moet de in het diepe gegooide projectleider zich neerleggen bij de vrijblijvendheid die achter vage projecten schuilgaat? Of begint die zelf met verbetering door toch te proberen tot transparante afspraken te komen met opdrachtgever(s) en projectmedewerkers? Het laatste lijkt mij gewenst. Daarbij is het overigens wel belangrijk in acht te nemen dat de projectleider nooit meer mandaat heeft dan de opdrachtgever bereid is te verlenen. Projectmatig werken lukt ook in het hoger onderwijs; alleen vraagt het misschien iets meer geduld.

maandag, mei 22, 2006

De grote wereld

Alhoewel ik niet veel toekom aan het lezen van literatuur, denk ik wel dat het ook een bijdrage kan leveren aan je professionele ontwikkeling. Meestal beperk ik me tijdens de werkweken tot het dagelijks lezen van NRC Handelsblad (vrij uitgebreid) en enkele tijdschriften. In vakantieperiodes neem ik wat meer tijd voor het lezen van romans en de wat stevigere beschouwelijke lectuur (filosofie/theologie).

Er zijn echter ook van die boekjes die je in één dag uit kunt lezen. Zo heb ik gisteren eindelijk het boekenweekgeschenk van dit jaar gelezen, De grote wereld van Arthur Japin. Het boek zelf vond ik niet heel erg sterk. Ik vroeg me ook af waar de muziek - immers het thema van de boekenweek dit jaar - gebleven was. Toch vond ik wel sterk uitkomen dat je er weer eens bij bepaald wordt hoezeer je de wereld vanuit je eigen referentiekader beleeft. Wat voor jezelf normaal is, is niet voor iedereen normaal. En, hoeveel moet je je best doen om door een meerderheid gewaardeerd te worden? Vragen die gelden voor het persoonlijke, maar ook voor het werk van alledag.

maandag, mei 15, 2006

Passie voor professie

In NRC Handelsblad van vandaag stond op pagina 2 een interview met de jonge filosoof Ad Verbrugge van de Vrije Universiteit. Verbrugge heeft naam gemaakt door zich te keren tegen de macht van de managers in sectoren als de gezondheidszorg en het onderwijs. Zelf was hij in 2002 docent van het jaar aan de Universiteit Leiden. Nu blijkt hij samen met zijn vrouw ook de vereniging Beter Onderwijs Nederland te hebben opgericht. Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van het onderwijs en falende onderwijsinnovaties.

Vorige maand organiseerde de Hbo-raad een jaarcongres onder de titel ‘Passie voor professie’. Zelf kon ik daar helaas niet bij zijn. In het informatieblad van de Hbo-raad, Hogeschool bericht (nummer 290) wordt verslag gedaan. Daarin ook enkele citaten uit de toespraak van staatssecretaris van onderwijs, Mark Rutte, zoals een uitspraak over bestuurders en managers in het hoger onderwijs: “Zij hebben de zware verantwoordelijkheid om zich dienstbaar aan hun docenten op te stellen! Zij zijn het die de bureaucratie binnen de perken moeten houden. En zij zijn het die ervoor moeten waken dat er voldoende geld naar het primaire proces blijft gaan.”

De laatste tijd lijkt de roep om de professionele autonomie van de docent alleen maar luider. Denk ook aan de aandacht die columnist Leo Prick naar zich toetrekt. Volgens mij wordt die roep echter alleen maar luider, omdat die professionele autonomie juist van alle kanten beknot wordt, niet in de laatste plaats door een uitdijend takenpakket, complexere stelsels, krimpende budgetten en een toenemende verantwoordingslast. Wie keert het schip?

dinsdag, mei 02, 2006

e-Learning Research programma

Vandaag ben ik onder meer bezig geweest met het schrijven van een onderzoeksvoorstel voor het e-Learning Research programma van SURF. Het gaat bij dit programma om kleinschalige, kortdurende praktijkgerichte beleidsonderzoeken (max. € 40.000,-). Vorig jaar heb ik met mijn collega's van Cetis door een dergelijk onderzoeksproject het eerste deel uit de e-Learning Research reeks gevuld: Succesfactoren voor een instellingsbrede implementatie van ICT in het onderwijs. Dit jaar wil ik een spade dieper gaan en de aandacht meer richten op het over de streep krijgen van docenten bij het vernieuwen van het onderwijs met ICT.

De door ons gekozen probleemstelling - die met input van bestuurders uit het hoger onderwijs is geformuleerd - luidt: "Welke managementinstrumenten zijn het meest effectief om docenten de vernieuwingsslag te laten maken?" Deze hoofdvraag willen wij in het onderzoek beantwoorden door de aandacht te richten op in ieder geval drie deelvragen:
  • Over welke vernieuwingsslag hebben we het? Zijn er verschillende soorten vernieuwingsslagen te onderkennen en leiden deze tot een verschillende beantwoording van de hoofdvraag?
  • Wat zijn voor docenten motiverende factoren? (beloning, erkenning/prijs, tijd, visie, begeleiding e.d.)
  • Welke managementinstrumenten zijn beschikbaar? (beleidskaders, standaards, blauwdrukken, beoordelingscyclus, managementcontracten e.d.)

Meer details over het onderzoek maak ik pas bekend, als het voorstel gegund is.

vrijdag, april 21, 2006

Human Resource Development

Het tijdschrift voor Human Resource Development, Opleiding & Ontwikkeling (O&O), lees ik in het algemeen met veel interesse. Het laatste nummer (april 2006) leverde echter een tamelijk negatief zelfbeeld van het vakgebied. Human Resource Development (HRD) is diffuus, ondefinieerbaar, er is geen eigen gemeenschappelijke kennisbasis en nauwelijks theorie. Er zijn wel allerlei inzichten, maar er is nauwelijks - wat men noemt - evidence based practice.

Een kerndilemma van HRD is volgens mij dat de top-down benadering (wat zijn de organisatiedoelen en wat is daarvoor aan kennis en kunde nodig) en de bottom-up benadering (wat drijft de medewerkers en waarin willen zij zich bekwamen) onvoldoende bij elkaar komen om tot een succesvolle verandering te komen. Het komt er kennelijk gewoon op aan om te "doen wat werkt". Dat is overigens ook de titel van een boek dat in dit nummer van O&O besproken wordt. Als voordelen van de in het boek aangereikte methode worden genoemd:
  • Nadruk op het positieve biedt mensen perspectief.
  • Aandacht voor wat er al is geeft mensen het vertrouwen dat succes bereikbaar is.
  • Zetten van kleine stapjes geeft een gevoel van invloed en controle.
Dat lijkt me heel aannemelijk. Of dat echter in de praktijk altijd zo werkt, moet maar blijken ...

Voorjaarsdiner RUG

Gisteravond ben ik als alumnus bij een voorjaarsdiner van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) geweest. Het diner werd gehouden in de Euromast in Rotterdam, een prettige lokatie moet ik zeggen. Er waren ca. 50 deelnemers met uiteenlopende leeftijden. De RUG organiseert dit soort avonden al enige jaren voor haar oud-studenten. Voor deze sessie stonden twee interessante sprekers op het programma, namelijk prof. René Boomkens (sociaal filosoof) en prof. Karen van Oudenhoven-van der Zee (organisatiepsychologe). Helaas bleken gisteren beide sprekers ziek, maar gelukkig hadden ze in prof. Luchien Karsten (bij wie ik zelf in de jaren negentig colleges organisatiekunde gevolgd heb) een goede vervanger. Hij had een mooi verhaal over de factor tijd in management, vanuit het perspectief van historie en kunst. Ook nam de gastheer, prof. Simon Kuipers (voorzitter van het College van Bestuur), wat meer gelegenheid om iets over de RUG te vertellen en kritische vragen te beantwoorden. Bij elkaar genomen was het een boeiende avond.

donderdag, april 06, 2006

Valkuilen bij ontwerpen van onderwijs

In het maart-nummer van Onderzoek van Onderwijs (jaargang 35, nr. 1) staan drie artikelen over vernieuwingen in de praktijk van het hoger onderwijs die mij weer lieten nadenken over de valkuilen bij het ontwerpen van onderwijs. De volgende valkuilen kwamen bij mij naar boven:
  1. Blijf niet hangen in discussies over voor- en nadelen van nieuw leren, maar vertrek gewoon vanuit wat nu (of in de nabije toekomst) nodig is vanuit het perspectief van beroepspraktijk, wetenschap en samenleving.
  2. Puzzel niet te lang over het ideale curriculumontwerp door tot op detailniveau te analyseren en leertaken te ontwerpen, maar denk in grotere gehelen en zorg vooral voor uitdaging voor studenten en passende toetsing.
  3. Speel flexibilisering van het onderwijs en de eis van samenhang in het curriculum niet tegen elkaar uit, maar geef de verantwoordelijkheid voor het handhaven van de samenhang in het curriculum aan de student die eigen keuzes maken wil.

donderdag, maart 30, 2006

Heimwee naar de mens

In de afgelopen dagen heb ik het boek Heimwee naar de mens van Joke Hermsen(Arbeiderspers, 2003) uitgelezen. Het boek is onmiskenbaar een essaybundel met de daarbij behorende variatie in thema's en redeneringen, maar wel een bundel met een duidelijke lijn c.q. boodschap. Het is een oproep om volop mens te zijn in deze wereld en daarin positie in te nemen. Een mens moet zich niet klein laten maken door de dictatuur van politieke machthebbers, van de markt of van de traditie en al helemaal niet vluchten in de virtuele schijnwerkelijkheid van het internet.

Het laatste essay in de bundel gaat over die schijnwerkelijkheid. Kenmerkend voor heel de digitale cultuur is de verwarring en onbeslisbaarheid tussen virtuele schijn en werkelijkheid. Denk maar aan cyberfilms, internet games en chat rooms. Hermsen ziet een direct verband met de ervaring van leegte en zinloosheid. Internet is voor haar dan ook geen paradijs waar je naar toe kunt vluchten, maar een droomwereld die de problemen eerder herhaalt en bevestigt, dan ze uit de echte wereld helpt. Hermsen heeft daarom "soms heimwee naar de mens die niet vlucht, maar kan balanceren op het koord dat is gespannen tussen de weerbarstige werkelijkheid en de ijle droom."

De overige essays gaan over kunst en literatuur en filosofie. Vaak gaat het om vrouwen die positie innemen in de maatschappij, keuzes maken, grenzen opzoeken en een controversieel standpunt durven te uiten. Enkele citaten: "De kunst daarentegen brengt vervreemding teweeg, slaat de vaste grond onder onze voeten vandaan, zodat we in beweging komen." Van Virginia Woolf: "De wereld van het persoonlijke leven is onlosmakelijk verbonden met de wereld van het openbare leven." En van Hannah Arendt: "Als we niet op de een of andere manier handelend en vertellend in de wereld actief zijn, blijft de wereld ons vreemd en verdwijnt deze ten langen leste geheel uit het zicht."

woensdag, maart 29, 2006

Innovatium 2006

Gisteren ben ik naar het onderwijscongres Innovatium 2006 van de DU geweest. Het congres vond plaats in het Rabotheater te Hengelo en het thema was daarop aangepast: 'Onderwijsvernieuwing in de spotlights'. Op zo'n dag heb ik veel contacten met allerlei voor mij bekende en minder bekende personen. Zodoende ben ik maar naar twee sessies geweest.

De eerste sessie ging over leren met toekomstscenario's. In beleids- en strategieontwikkeling is scenariodenken de laatste jaren erg populair. Vorig jaar was er nog een themanummer over scenariostudie in het Tijdschrift voor Hoger onderwijs & Management. Het blijkt echter ook goede mogelijkheden te hebben voor het leren en reflecteren door studenten, bijvoorbeeld in een specialistische of verbredende minor. Om dat uit te zoeken is een project gestart vanuit de DU. Het is me wel duidelijk dat scenario-ontwikkeling veel tijd vergt en dat beelden/visualisaties erg belangrijk zijn.

De tweede sessie die ik bijgewoond heb, ging over nut en noodzaak van domeinprogramma's. Daarbij gaan vergelijkbare opleidingen in een sector gezamenlijk aan de slag met onderwijsinnovatie. In deze sessie waren de tweedegraads lerarenopleidingen het vertrekpunt. Belangrijke toegevoegde waarde van een domeinprogramma ligt in het netwerk en het delen van de daarbinnen aanwezige know-how en ook het voordeel van 'vreemde ogen dwingen'. Er lijken twee essentiële voorwaarden voor de effectiviteit van domeinprogramma's: 1) er moet een duidelijke noodzaak zijn voor gezamenlijk optrekken (bij de lerarenopleidingen is dat het probleem van de 'kleine vakken') en 2) er moet sprake zijn van een vorm van sturing op domeinniveau (bij de lerarenopleidingen bestaat al langer het directeurenoverleg van de educatieve faculteiten, ADEF).

donderdag, maart 23, 2006

Online samenwerkend leren

In het eerste nummer van OnderwijsInnovatie (maart 2006) staat in het middenkatern een praktisch artikel over ontwerprichtlijnen voor online samenwerkend leren. Het nuttige van dit artikel is dat de bepalende factoren voor deze onderwijswerkvorm worden geanalyseerd en dat een poging gedaan wordt om voorkomende problemen op te lossen. Bij bepalende factoren gaat het dan om de organisatie, de collaboratieve taak en de beschikbare instrumenten. De uitwerking hiervan kan helpen om een adequate leeromgeving voor studenten in te richten.

De auteurs concluderen aan het eind van hun artikel o.m. dat samenwerkend leren in ieder geval niet vanzelf gaat. Het is goed dat de auteurs oproepen om tevoren uitgebreid na te denken over ontwerp, ontwerpfactoren en implementatie van de samenwerkingsomgeving. Als men daarbij maar niet vergeet dat in elk geval twee aspecten essentieel zijn: 1) Is samenwerking vanuit studentperspectief op zich zinvol of nodig, bijvoorbeeld omdat dat in de betreffende beroepspraktijk ook zo gaat? 2) Wordt de samenwerking zélf ook beoordeeld? En weten de studenten van tevoren hoe ze daarop beoordeeld worden?

donderdag, maart 16, 2006

Flexibel opleiden

Gisteren nam ik deel aan een door de DU georganiseerde Round Table discussie over flexibel opleiden. De bijeenkomst werd ingeleid door Ad Schellekens (OU), die daarop gepromoveerd is. Terecht maakt hij bezwaar tegen de sterke voorprogrammering in veel hoger beroepsonderwijs (standaard programma, lestijden en roosters, accommodatie, groepen, onderwijsperioden e.d.). De sterke voorprogrammering wordt volgens mij veroorzaakt doordat men de twee kerntaken van het (hoger) onderwijs, namelijk stimuleren tot leren en certificeren, probeert te vermengen. Niet de resultaten worden beloond, maar de inspanning van de student.

Schellekens presenteert als alternatief een flexibel onderwijsmodel, dat meer tegemoet komt aan hedendaagse onderwijsvisies en vooral gebaseerd is op operationele flexibiliteit. Ik kan niet goed beoordelen of het model ook realistisch is, maar gaandeweg de discussie werd me wel duidelijk dat flexibilisering vanuit verschillende optieken en op vele niveaus gedefinieerd kan worden. Denk maar aan flexibele startmomenten van opleiding en onderwijseenheden, flexibele werkvormen (met het oog op verschillende leerstijlen), flexibele toetsvormen en toetsmomenten, inhoudelijke keuzevrijheid (specialisatie/differentiatie) en ook flexibiliteit in lokatie (bijvoorbeeld plaatsonafhankelijk).

Op maximale flexibiliteit zit volgens mij niemand te wachten en dat is bovendien niet haalbaar / betaalbaar. In het algemeen kan volgens mij gesteld worden: Hoe zelfstandiger de student, des te flexibeler het onderwijs. Het gaat om het vinden van een goede balans tussen vraag en aanbod. Daarbij kunnen we mogelijk veel leren van flexibiliteit in een supermarkt of bibliotheek. Wellicht kunnen we het maar beter niet meer hebben over flexibilisering, maar over concrete achterliggende beleefde problemen, en die proberen op te lossen.

woensdag, maart 15, 2006

Samenwerken in de regio

In het Tijdschrift voor Hoger onderwijs & Management (2006, nr. 1) staan enkele interessante artikelen over samenwerken in de regio. Zo blijkt dat de regio Twente zich mede dankzij de UT heeft ontwikkeld van textielagglomeratie tot moderne technologieregio. Dit gebeurde door o.m. innovatie in traditionele bedrijfstakken te stimuleren en ook door het stimuleren en faciliteren van spin-offs in andere sectoren. Zo kan Twente zich nu profileren als 'Materials Valley' en 'Hot Spot voor Zorg en Technologie'.

In een verhelderend artikel wordt ingegaan op de manier waarop het minsterie van OC&W sinds 2005 met het RAAK-programma wil bijdragen aan de innovatie in het Midden- en Kleinbedrijf. Daarbij wordt regionale netwerkvorming gestimuleerd tussen ondernemers en kennisinstellingen (m.n. hogescholen en in mindere mate universiteiten en ROC's) vanuit de gedachte dat samenwerken leidt tot nieuwe ideeën, producten en markten.

Ten slotte wordt geschetst hoe de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht in de laatste jaren zich steeds meer - en succesvol - verbonden heeft met de regio Utrecht en daarin met name de 'creatieve industrie'. In alle gevallen van succesvolle regionale samenwerking blijkt het belang van bestuurlijke keuzes van de betreffende onderwijsinstellingen.

woensdag, maart 08, 2006

NetWerkTafel LOREnet

Vandaag heb ik deelgenomen aan een NetWerkTafel over LOREnet, georganiseerd door stichting SURF i.s.m. M&I-partners. Bij LOREnet gaat het over het ontsluiten en beschikbaar stellen van onderwijsmateriaal (content). In een eerste project is de technische realiseerbaarheid getest. In een vervolgproject zou het moeten gaan om perfectionering van de gebouwde demonstrator en het gebruik van LOREnet in een groot aantal instellingen. De inhoud van dit vervolgproject was onderwerp van deze bijeenkomst met ca. 20 deskundigen uit verschillende organisaties.

Alhoewel ik geloof dat er terecht steeds meer aandacht wordt besteed aan repositories (databanken), heb ik toch steeds mijn aarzelingen gehad t.o.v. LOREnet en daar ben ik vandaag in bevestigd. Het gaat in de genoemde projecten volgens mij te veel om kwantiteit (verhoging aantal leerobjecten, stimuleren halen en brengen en hergebruik) en te weinig om kwaliteit. De hoeveelheid content hoeven we niet te vergroten; de docent heeft al genoeg aan bestaande kanalen (bibliotheken, Google, portals, informele netwerken). De kwaliteit van het onderwijsmateriaal kan echter wel beter geborgd worden, maar daar is LOREnet geen voldoende voorwaarde voor; zo bleek ook uit de pilots. Een extra kanaal zou alleen zinvol zijn, als daar voor de gebruiker relevante, kwalitatief hoogwaardige content snel en eenvoudig te vinden is. Is eigenlijk ooit onderzocht aan welke content (type, niveau, omvang e.d.) behoefte is?

Om ervoor te zorgen dat een instrument als LOREnet gebruikt wordt, moet aan de instellingskant beleid komen voor content beheer en moeten op domeinniveau communities ontstaan waarin de zin van het delen van kennis geen discussiepunt meer is. Niemand is er bij gebaat als we in het hoger onderwijs over een instrument beschikken dat niet gebruikt wordt. Ontwikkeling en implementatie dienen gelijk op te gaan. Ten slotte ben ik benieuwd wat de invloed op LOREnet is van de trend dat het in het hoger onderwijs steeds minder gaat om het aanbieden van onderwijsmateriaal en steeds meer om begeleiden van studenten bij hun eigen contentontwikkeling (sociaal constructivisme).

dinsdag, februari 28, 2006

Meelopen met een AIO

Binnen mijn afdeling is een AIO gedetacheerd vanuit de Universiteit Utrecht, Ilya Zitter. Ze doet onderzoek naar ICT-ondersteund competentiegericht onderwijs en doet zo nu en dan een beroep op de overige collega's. Erg leuk. Zo heb ik al eens een concept artikel meegelezen en hebben we met de afdeling in december 2005 een heuse 'heidag' gehad. Nu ben ik bezig geweest met het beoordelen van enkele door haar ontworpen 'design patterns' (zeg maar: ontwerpregels voor voorkomende problemen in onderwijs settings). Je duikt dan op een andere manier in de problematiek van het ontwerpen en ontwikkelen van onderwijspraktijken. Overigens zijn die heel vaak goed vergelijkbaar met gewone werkpraktijken. Werken is immers leren, en omgekeerd.

Zo heb ik weer eens nagedacht over hoe je om moet gaan met 'face-to-face samenwerkingsactiviteiten', die je zowel in het werk als in het onderwijs hebt. Ik ben tot de conclusie gekomen dat je voor bijeenkomsten beperkt moet zijn in je doelen: hooguit uitwisselen van ideeën en ervaringen en het maken van (werk)afspraken. En, dat bijeenkomsten effectiever zijn, als ze goed voorbereid zijn, door organisator en deelnemers.

maandag, februari 27, 2006

Schaalvergroting verantwoord?

De bespreking van de rapporten van de Onderwijsraad over schaalvergroting in het onderwijs is af. Het was nuttig om de case studies te bestuderen en te reflecteren op de eigen situatie bij de grootschalige Hogeschool Utrecht. Het heeft me in ieder geval weer geleerd dat een grote bestuurlijke schaal nog geen grote organisatorische schaal (de schaal waarop het onderwijs wordt uitgevoerd) hoeft te betekenen. Juist twee weken geleden reageerden de beide bewindslieden voor onderwijs op de Onderwijsraad in de Volkskrant, door vooral te zeggen dat instellingen verantwoording af moesten leggen. Dat gaf mij een mooie aanleiding om te reageren:

"Hoe overtuigd het allemaal ook mag klinken, namelijk dat het primaat ligt bij de werkvloer, het komt toch tamelijk naïef over. Er is in de afgelopen decennia enorm veel op onderwijs bezuinigd en in elk geval in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs is men veel bedrijfsmatiger gaan werken. Uiteindelijk draait alles om instroom van studenten en rendementen, verlaging van de docent-studentratio, eerste, tweede en derde geldstroom, imago en slimme allianties. Dat draai je niet zomaar terug met een paar morele kreten. Kun je als onderwijsinstelling je maatschappelijke verantwoordelijkheid wel voldoende vervullen, als je merkt dat de afnemende financiën het belangrijkste sturingsinstrument van de overheid vormen?" Kijk voor de rest van de bespreking in het aprilnummer van DenkWijzer.

woensdag, februari 15, 2006

Werkgroep ELO-architectuur

In de afgelopen drie maanden heb ik deelgenomen aan een werkgroep 'ELO-architectuur'. Deze werkgroep maakte deel uit van een project van de Digitale Universiteit en had als doel het opstellen van een functionele services-architectuur voor het Nederlandse hoger onderwijs. Het gaat daarbij om het modelmatig beschrijven van onderwijsprocessen en de daarvoor benodigde services (diensten). Het nut van dit soort exercities is dat het je dwingt om te abstraheren en gezamenlijk te definiëren waar het in de kern om gaat. Bijvoorbeeld dat het (hoger) onderwijs hoofdzakelijk maar twee kernfuncties heeft, namelijk stimuleren van leren (op allerlei manieren: colleges, projecten, reflectie, toetsen, enz.) en certificeren. Als je een compleet beeld hebt van alle processen en services en vooral de afhankelijk en samenhang daartussen, dan stelt dat je beter in staat om te definiëren hoe je de ICT-ondersteuning moet inrichten. Dat kan veel problemen voorkomen, maar kost aan de andere kant veel tijd en moeite. Daarom moeten we volgens mij ondertussen maar gewoon gebruiken wat er aan ICT beschikbaar is.

vrijdag, februari 10, 2006

Coaching is een interventie

Deze week heb ik mij beziggehouden met het thema 'coaching'. Niet omdat ik zelf een coach zou willen, maar omdat dit het thema is van het meest recente tijdschrift Opleiding & Ontwikkeling (tijdschrift voor Human Resource Development). In het themanummer staan bijdragen van uiteenlopende aard, variërend van een typologie van coachingsbenaderingen tot praktijkvoorbeelden en van een onderzoek naar effecten tot een stappenplan voor het vinden van de juiste coach.

Coaching blijft voor mij tamelijk diffuus, hetgeen in en door het themanummer bevestigd wordt. Ik zal niet ontkennen dat coaching zinvol en soms zelfs noodzakelijk kan zijn. De voorkeur gaat wat mij betreft echter uit naar een gezonde, collegiale werksfeer waar iedereen van tijd tot tijd ongedwongen kan overleggen, 'sparren' en reflecteren met (directe) collega, leidinggevende of P-adviseur. Dat geeft ruimte om te leren en jezelf te ontwikkelen en voorkomende problemen op te lossen of op een handige manier te omzeilen. Zoiets noemen we gewoon advies of collegialiteit. Als iemand op een of andere manier in het werk of zijn ontwikkeling geblokkeerd wordt - al dan niet door het ontbreken van zo'n werksfeer, dan is een interventie nodig, bijvoorbeeld coaching (werkgericht) of een of andere vorm van therapie (persoonsgericht).

woensdag, februari 01, 2006

Verkenning schaalvergroting in het onderwijs

De aangekondigde bespreking van het boek van Joke Hermsen laat nog even op zich wachten. In de privé-situatie zijn er soms genoeg andere prioriteiten, zoals huishouden en gezin en ook het bijhouden van kranten en tijdschriften. Daarnaast ga ik me de komende twee á drie weken bezighouden met het fenomeen schaalvergroting in het onderwijs n.a.v. een tweetal recente rapporten van de Onderwijsraad. Ik ben namelijk gevraagd om daarvan een bespreking te leveren voor Denkwijzer, het studieblad van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.